Het nieuwe boek van Jona Lendering, De klad in de klassieken (Amsterdam 2012) heeft me voorgoed van die aanname genezen. Hij schrijft namelijk dat de oudheidkundigen dat helemaal niet meer kunnen. Ze zijn te kort en te slecht opgeleid, moeten zich teveel specialiseren om overzicht te blijven houden, hebben geen overleg met verwante disciplines (waar ze die aanvullende informatie hadden kunnen halen) en hebben in de jaren tachtig ook niet geprotesteerd toen ze gekort werden op zo’n beetje alles. Je vraagt je dan af wat het vak dan nog voorstelt en of het nu nog slechts berust in de koppen van een snel uitstervende generatie van oudheidkundigen met nog een klassieke opleiding. Lendering is echter nog niet zo oud; ergens achter in de veertig. Hij zegt wel dat hij meer van het vak opgestoken heeft na zijn studie dan tijdens. Kwestie van zelfwerkzaamheid dus. Dat weerhoudt hem niet knappe en zeer leesbare boeken te schrijven die zijn collega’s, maar ook andere historici, behoorlijk kunnen raken. Zoöok dit.
De klad in de klassieken (KidK) besteedt om te beginnen zo’n 200 pagina’s aan de opkomst, bloei en gedeeltelijke ondergang van de studie van de klassieke wereld. Dat gaat ver terug, want de Italiaanse humanisten aan het eind van de vijftiende eeuw begonnen daar al serieus mee. Tot die tijd waren echter al vele klassieke bronnen als kopieën over de middeleeuwse wereld verspreid geraakt, maar die werden eigenlijk alleen door een, meestal geestelijke, elite min of meer bestudeerd. De Griekse wijsgeer Aristoteles en de rhetorische voorbeelden van redenaars als Cicero en Seneca stonden zelfs op het curriculum van middeleeuwse universiteiten. En die elite las, schreef en sprak natuurlijk Latijn (en in veel mindere mate Grieks). Lendering behandelt als in een historiografische collegereeks de hele geschiedenis van de oudheidkunde, de bestudering van de klassieke literatuur en de toepassing van de klassieke archeologie. Dit deel leest als een trein want het het is levendig en helder geschreven, met veel mooie voorbeelden en uitspraken. Ik herkende er veel in, maar leerde ook nog veel nieuws.
Het tweede deel, krap 100 pagina’s, is voor de leek moeilijker om door te komen, denk ik. Het is eigenlijk een aanklacht tegen de universiteiten en Lenderings eigen collega’s. Het komt erop neer dat ze zich niet hebben vernieuwd in de jaren negentig. Ze hebben te lijdzaam toegekeken toen de regering ze begon af te knijpen omdat de wetenschap te weinig maatschappelijke relevantie zou hebben. Bovendien gedroegen ze zich eigenlijk als aangespoelden op hun eigen kleine specialisten eilandjes. Dat heeft ervoor gezorgd dat de overdracht van wat ze weten/wisten naar het publiek (dat eigenlijk waar voor zijn via de belasting aan de universiteiten betaalde geld mocht verwachten) stagneerde. En dat zorgde er weer voor dat de media, maar ook oudheidkundigen zelf, met verouderde of op gebrekkige theoriëen berustende informatie kwamen of die in ieder geval doorlieten. Lendering noemt dat kwakgeschiedenis, een mooie term. De sensationalistische versie daarvan is natuurlijk de pseudo-historie die de mysterieuze kant van het verleden bestrijkt. Die is op naïef gebruik van historisch bewijsmateriaal gebaseerd, maar dat wordt niet herkend door de mensen die maar al te graag in mythes geloven als de Griekse uitvinding van de democratie, de geheimzinnige pyramiden en Atlantis.
Voor iemand als ik, die dezelfde soort zaken constateert als het over de middeleeuwen gaat, is dit natuurlijk gefundenes Fressen. Ik vraag me alleen af of anderen dan academisch gevormden hier veel van hun gading zullen vinden. Ondanks de soms komisch werkende philippica’s die Lendering tegen bepaalde in de discipline en aan universteiten ontstane misstanden houdt, hoop ik dat mensen die niet zo in de klassieke wereld thuis zijn hier doorheen kunnen komen. Misschien dat de elf intermezzi van door de oudheid geraakte Nederlanders, zowel amateurs als professionals, daarbij helpen. Want juist hieruit blijkt waarom een in de klassieke wereld geïnteresseerd individu daar zo enthousiast voor is geworden: het is gewoon een leuk vak! Het bestuderen van de oudheid is wat dat betreft haar eigen beloning.
Met alleen maar afkammen en aan de kaak stellen ben je er natuurlijk niet. Er moet ook een oplossing komen voor de geconstateerde gebreken. Lendering heeft die. Hij zou willen dat de vakgroep in z’n geheel een nota aan de regering gaat opstellen waarin ten eerste erkend wordt dat er in het verleden door de oudheidkundigen fouten zijn gemaakt. Die fouten moeten verklaard worden en van de verantwoordelijken moet men zich duidelijk distantiëren. Vervolgens moet gewezen worden op wat wel goed gaat, waarna een serie plannen gepresenteerd moet worden die zullen voorkomen dat het nog eens verkeerd zal gaan. Zo zou, door de nota, maar ook door het feit dat men bereid is schoon schip te maken, een hernieuwde sympathie voor het vak gewekt kunnen worden.
Die plannen houden om te beginnen in dat er één, in plaats van zes, gecentreerde opleiding moet komen waarin je in twaalf jaar van propedeuse tot promotie moet kunnen studeren (nu moet dat in acht jaar). Met uiteraard veel minder hoogleraren en docenten. Dit geeft meer ruimte voor het verwerven van bredere kennis en het samenwerken met verwante disciplines. Verder moet er controle komen op onderzoek, aangeboden informatie en de overdracht, op maat, daarvan. Op publicaties moet een keurmerk komen waaruit blijkt dat het geschrevene door zoveel mogelijk collega’s van meerdere disciplines is gecontroleerd en goed is bevonden. Deze publicaties moeten ook, na initiële verkoop door een uitgever (die natuurlijk ook aan de auteur ten goede moet komen) snel in het publieke domein terechtkomen en niet achter ‘betaalsites’. Alleen zo krijg je een apparaat dat de strijd aan kan binden tegen kwak- en pseudohistorie.
Zou het zo kunnen werken? Ik hoop het. Ook voor mijn eigen hoekje van de middeleeuwse geschiedenis. En voor al die andere leuke geesteswetenschappen. Maar ik heb er eigenlijk weinig fiducie in dat onze regering in dit economische klimaat zo’n nota als hiervoor beschreven met open armen zal ontvangen. Ik wilde dat het anders was, maar het onderwijs – en niet alleen dat op de universiteit – wordt gewoon rigoureus uitgekleed of te duur gemaakt voor de door diezelfde crisis getroffen Nederlander. Ik ben bang dat studie weer een elite aangelegenheid wordt en dat de gemiddelde landgenoot er cultureel en in algemene ontwikkeling alleen maar op achteruit zal gaan. Maar KidK is een bijzonder sympathieke poging om orde op zaken te stellen in de oudheidkunde, die het verdient om in brede kring, ook buiten dat vak, gelezen te worden. Je steekt er in ieder geval veel van op en als je er gevoelig voor bent steekt het je ook een hart onder de riem om er zelf ook weer hard tegenaan te gaan. Misschien moeten we gewoon, zoals in jaren zestig, het alternatieve circuit induiken; het zelf gaan doen. Zoals bij Livius Onderwijs (www.livius.nl), een onderwijs initiatief, waar Lendering één van de drijvende krachten van is.







