vrijdag 27 januari 2012

Eriks blauwe ogen

Ik kreeg zowaar een beetje medelijden met Erik Schilp tijdens de documentaire over wat er allemaal misging met het Nationaal Historisch Museum (NHM) afgelopen dinsdagavond. Je kon heel goed zien wat het hele drama met hem deed. Hij merkte het ook aan zijn gezondheid en zijn relatie en zijn moeder maakte zich terecht bezorgd om hem. Michiel van Erp, de filmer-interviewer die dicht op de lip van alle betrokkenen zat, concentreerde zich op de mooie, porceleinblauwe ogen van Schilp. Die stonden op een bepaald moment, naar het einde van het drama en de docu toe, bepaald wanhopig. En dat terwijl de ex-directeur van het Zuiderzeemuseum alltijd wat onverzettelijks heeft; iets als een koppige, stijfnekkige kleuter met zijn 'bullet head'. En zijn doordringende ogen. Ik dacht soms: Van Erp vindt Erik wel leuk. Hij nam hem veel vaker in beeld dan collega Valentijn Bijvanck, die volgens mij de boel wat makkelijker opnam. Niet zo'n oppotter, lijkt me. Maar er kwam steeds maar weer een close-up van die ogen.

Nou had Erik ook wel reden om wanhopig te worden, want mensen wat een zooitje was dat. We kregen een behoorlijk pijnlijk beeld van wat er voor politiek gekonkel in Nederland plaats vindt als het om een prestige-object gaat. Want dat bleek het NHM toch echt wel te zijn. Wat begon als een idee van Jan Marijnissen vanwege de, waarschijnlijk, eerlijk gevoelde bezorgdheid over het gebrek aan historische kennis van de Nederlander en een opgeklopt behoefte van de noodzaak om je eigen identiteit te bepalen, verzandde in een farce. Waarbij de steeds meer water bij de wijn doende Marijnissen nou niet bepaald een goede indruk achterliet.

Wat ook wel goed duidelijk werd was dat de beide 'jonge honden' (nou ja, veertigers...) die de  directie van het NHM zouden gaan uitmaken, wel erg stomme fouten maakten. Wie gaat er nou zonder overleg een door de minister vastgestelde locatie verzetten? Wie schoffeert er nou een potentiële buurman door niet met hen te communiceren over allerlei voor beiden geldende beslissingen? Wie gaat er nou mee in een plan om dan maar het NHM in het uitgewoonde en popperige Soestdijk te vestigen? Wie controleert er niet eens wat voor onzin er op zijn website te lezen is? Ik bedoel maar: als je een stukje over Canon-held Karel de Grote, overgenomen van ANNO, vol laat zitten met fouten en aannames gebaseerd op fabels dan vraag je om ongeloofwaardigheid. En dat was maar één stukje; het wemelde er van de historische onzin. Hier wreekte zich het gebrek aan bonafide historici in de opzet van het project. Conservatoren, communicatie-jongelui en it-ers genoeg (maar waarom een Engels bureau ingehuurd voor de vormgeving? hebben we die hier niet?) maar iemand die ze wijst op historische fouten, bij een historisch museum, was er niet.

Buiten het feit dat ik, persoonlijk, vind dat we helemaal geen NHM nodig hebben, was die confrontatie van een nogal naïeve directie die wild om zich heen creëerde met doorgewinterde oude politieke rotten een fatale. Bij welke laatste categorie ik Plasterk bepaald niet reken, maar hij gaf tenminste nog toe dat hij naïef was geweest ten opzichte van zijn eigen collega's. Hier was dus weer heel duidelijk te zien hoeveel macht politici in onze democratie hebben. Het gaat niet meer om het misbruiken van de geschiedenis voor de eigen agenda of zuil, maar het gebruiken van het door de stemmer verleende mandaat om partij-politieke spelletjes te spelen. En dat ten koste van vele miljoenen euro's, niet alleen voor het traject naar de opening van het NHM toe, maar ook binnen het politieke bedrijf. Denk maar eens aan al die vergaderingen in dure locaties, persconferenties, auto's met chauffeur, etentjes, etc. Ik ben geen figuur die zegt dat politici alleen maar hun zakken vullen van onze belastingcenten, maar deze hele  toestand heeft door al die fouten en het traineren door allerlei ego's veel meer gekost dan nodig was. Ik ben in dat kader wel benieuwd of we nog eens zullen zien hoe die 15 miljoen zijn besteed. Maar ik houd mijn adem niet in.

Ik ben benieuwd wat Erik en Valentijn nu aan het doen zijn. Of ze hun relaties, gezondheid en familiebanden hebben kunnen repareren en weer vol goede moed aan het werk zijn in hun eigenlijke beroep. Of juist er volledig uitgestapt zijn. Ik zou zelf echt heel wat anders zijn gaan doen en de politiek voortaan helemaal hebben vermeden. Zoals ik tijdens mijn loopbaan meer dan eens heb gedaan. Maar wie ben ik? Ik ben geen Erik Schilp en heb zeker niet zulke blauwe ogen. Ook met Valentijn heb ik niks; zijn idee van hedendaagse mode vermengen of zich laten inspireren door klederdracht zag ik ver voor hij dat in Middelburg deed al in het Gemeentemuseum in Den Haag, dat vroeger zo'n mooie kostuumcollectie had. Confrontaties binnen de kunsten en media zijn in, maar ze worden gauw een maniertje en dan kun je toch beter terugvallen op een goed verteld en kloppend verhaal. En daar heeft een historisch museum behoefte aan. Niet aan door politiek gesteggel verpeste overbodige en veel te dure prestigeprojecten als een NHM.

zondag 27 november 2011

Middeleeuwse canon van Nederland: een klein stapje los van de traditie

De langverwachte canon over de Nederlandse middeleeuwen is uit. Hij is bij uitgeverij Walburg Pers verschenen in een serie van diverse andere historische canons die daar zijn geproduceerd. Zoals te verwachten is het boek opgedeeld in 50 ‘vensters’ en die zijn rijk geillustreerd: wel 293 plaatjes en platen op 192 pagina’s. Elk venster bestaat uit drie of vier pagina’s, waarvan de illustraties ongeveer de helft innemen. Ook zijn er kaartjes in opgenomen en af en toe kadertekstjes. Ik moet zeggen: het ziet er fris en kleurig uit en het is vakkundig vormgegeven.

Het probleem met een canon van 50 vensters ov er 1000 jaar geschiedenis is dat het noodzakelijkerwijs een verzameling weetjes en feiten is. Je kunt er natuurlijk nooit erg de diepte mee ingaan en verbanden ertussen zijn niet makkelijk te leggen. Traditioneel worden die feiten doorspekt met verhalen die meestal van fabuleuze herkomst zijn. Dit boek staat er ook vol mee. Verhalen helpen om de geschiedenisles levendiger te maken, maar omdat ze allemaal zo legendarisch zijn, wordt het begrip voor het verleden er niet helderder door. Het gevaar bestaat zelfs dat met name de middeleeuwen tot een soort sprookjesland worden gemaakt. Kuipers en zijn mede-auteurs hebben uiteraard geprobeerd nuchtere geschiedenis te schrijven. Ze vermijden ook niet het vermelden van controverses en stippen nieuwe denkbeelden over oude problemen aan. Het met gulle hand toevoegen van fabels en mythes, doet dat uitgangspunt echter een beetje teniet. Het maakt het hele verhaal daarom wat onevenwichtig.

Voor een historicus, en zeker een mediëvist, bevat het boek ook weinig verrassingen. Er zijn maar een paar echt nieuwe vensters. Het eerste gaat bijvoorbeeld helemaal over de Romeinen en hun Germaanse bondgenoten. Het tweede vermeldt de nogal heftige, maar al lang bij kenners bekende, mededeling dat de Friezen eigenlijk Saksen, Angelen en Juten zijn. Vorig jaar kon men dat al lezen in Lenderings en Bosmans, De rand van het rijk (2010), welk boek overigens niet wordt genoemd als bron. Ik heb trouwens de indruk dat dit nieuws nog steeds niet in Friesland is doorgedrongen, hoewel het al zo’n vijftig jaar bekend is. Na deze eerste klappen komen de traditionele, ook in de tien tijdvakken van De Rooij voorkomende, onderwerpen aan de orde. Men gaat in een rotvaart door 1000 jaar geschiedenis, zoals elk geschiedenisboek uit het verleden de middeleeuwen behandelde. Niets nieuws onder de zon dus. Wel leuk is de aandacht voor de ketter Tanchelm en de Kleine IJstijd en, omdat Vlaanderen ook wordt meegenomen (wat ik zeer terecht vind), komen ook de Guldensporenslag plus zijn gevolgen voor Holland en Zeeland en de carrière van de Arteveldes langs. Er is dus wat vernieuwing, maar nog niet veel.

De indeling is thematisch: politiek en vorsten worden afgewisseld met kerkelijke geschiedenis en economie. Telkens zitten hier ook vensters met culturele onderwerpen tussen zoals die over de liedjes schrijvende hertog Jan (die van de pils) en een hoofdstuk over volkscultuur. Persoonlijk ben ik blij dat er ook wat aandacht aan klimaat, waterstaat en ontginnings- en nederzettingsgeschiedenis wordt besteed. Dat kan in zo’n kader natuurlijk nooit uitputtend, maar het staat er in ieder geval in.

De schrijver, Jan Kuipers, heeft een soepele stijl en weet diverse soms ingewikkelde problemen meestal in eenvoudige taal te gieten. Uit betrouwbare bron weet ik dat dit boek voor leken is bedoeld, dus dat moest ook wel. Toch zet ik dan soms nog wel wat vraagtekens bij bepaalde zaken, die ik nou niet zo eenvoudig verwoord vindt of waar je toch wat uitleg bij nodig hebt. Zo wordt het begrip ‘ministeriaal’ nauwelijks uitgelegd, moet je als leek toch even opzoeken wat roosvensters, steunberen en luchtbogen zijn of wat een haam is. Het is bijvoorbeeld ook handig om een plaatje ervan te hebben als je leest dat de symbolen van de Bourgondiërs een vuurslag en een naar hen genoemd kruis waren. Dat Kuipers, als Zeeuw en medeschrijver van de Zeeuwse canon, af en toe wat extra aandacht aan zijn provincie besteedt kan ik billijken. Zijn eigen medeschrijvers, Goffe Jensma en Oebele de Vries, zijn aangetrokken om enkele typisch Friese onderwerpen in te vullen die Kuipers niet zo in zijn bagage had. Er is verder telkens aan het eind van zo’n venster gezorgd voor een kort literatuurlijstje. Curieus vind ik wel dat daarin soms naar de andere canon-boeken van de Walburg Pers wordt verwezen. Mag dat wel? Of is dat gewoon zakelijk denken? Een stilistisch minpuntje vind ik dat Kuipers af en toe de neiging heeft om wat kleurrijke bijvoeglijke naamwoorden te gebruiken, die me steeds een beetje deden opschrikken: spijkerharde opportunist (45), mystieke schemer (124), droomachtige spiralen (125, of is dit een hertaling van ‘dreaming spires’ oftewel de torens van de colleges in Oxford?) en monumentale bisschop (163, over David van Bourgondië). Het is een beetje of je een populaire schoolmeester hoort. Maar misschien is hij dat ook wel…

Ik ontkom er niet aan deze canon te vergelijken met de beide door Ben Speet geschreven delen 3 en 4 in de serie de Kleine geschiedenis van Nederland. De boeken bevatten iets minder illustraties op ongeveer anderhalf keer het aantal, iets kleinere, pagina’s. De middeleeuwen worden, zoals te verwachten is van een canon, in het werk van Kuipers cs dus beduidend korter beschreven. Toch komt de stof behoorlijk overeen, al had Speet meer ruimte om de thema’s uit te werken. Zo besteedde hij de nodige aandacht aan het rechtswezen in de vroege middeleeuwen, ging hij wat dieper in op wat Karel de Grote allemaal deed en had hij wat meer ruimte voor andere dan alleen Willibrord als missionarissen en voor de noormannen. Speet had ook meer verhalen over de Hollandse graven, handel, kerk en de hogere cultuur. Hij was echter beduidend Hollandocentrischer dan het nieuwe boek: Brabant, Gelre en het Sticht kwamen er nauwelijks in voor en het Friesland, Groningen, Drenthe en het Oversticht van na 1000 al helemaal niet. Vlaanderen bleef trouwens bij Speet helemaal buiten beeld. Bij Kuipers krijgen die provincies wel de nodige aandacht, ook geholpen door de Friese mede-auteurs natuurlijk. Zo hoort het ook. Het is ook eerlijker ten opzichte van al die lezers buiten de Randstad. Holland, als rijkste en daardoor ook belangrijkste gewest van de noordelijke Nederland, is echter ook hier het meest genoemde land, op de voet gevolgd door Vlaanderen, met Brabant , Zeeland, het Sticht en Friesland als derde tot en met zesde.

Toch zijn er een paar curieuze leemtes te vinden in de nieuwe canon. Zo blijven de praktijken van het leenstelsel nogal onderbelicht. Is dat vanwege de nieuwe inzichten over feodaliteit sinds Fiefs and vassals (1994) door Reynolds? Terecht is, vind ik, de geschiedenis van de islam afwezig, behalve als het even over de kruistochten gaat. Hierin wijkt dit boek af van alle methoden en van Speet, waarin bij de tijd van monniken en ridders deze godsdienst en zijn gevolgen toch uitgebreid behandeld worden. Ik heb dat al eerder politiek correct genoemd, al hoort het in internationaal verband er natuurlijk wel bij in het voortgezet onderwijs. Ook mis ik in de nieuwe canon de redenen en gevolgen van de Investituurstrijd, de kritiek op de kerk in de late middeleeuwen (die alleen bij de Moderne Devotie even langs komt) en de weerslag in het culturele leven daarvan in de steden. Wel wordt een venster besteed aan volkscultuur, maar ik keek er wel een beetje van op toen ik las dat daar ook de heksenvervolgingen bij hoorden. Die horen mijns inziens toch meer bij de kerk thuis.

En dan de illustraties… Ik heb elders al geschreven dat ik die in de methodes en andere geschiedenisboeken nogal voorspelbaar vind. Je ziet ook steeds dezelfde. Met name de schoolplaten van Isings zijn zeer populair en hier vind je dan ook bijna alle middeleeuwse die hij heeft gemaakt (7) weer terug. Maar ook oudere, veel dubieuzere historieprenten komen in het boek voor. De schrijver probeerde dat in zijn inleiding ook te verantwoorden, maar ik heb daar problemen mee. Juist die prenten geven geen goed beeld van de tijd. Ze zijn zo goed als allemaal achterhaald en dan behoren die van Isings nog tot de besten. Je krijgt er dus geen goed beeld over de middeleeuwen van. Dat vind ik jammer want er zijn genoeg goede platen uit middeleeuwse bronnen te vinden. Het ziet er naar uit de de beeldredactie zich er niet al te veel moeite voor heeft getroost. Alleen vijftiende-eeuwse miniaturen en schilderijen (die overigens dikwijls oudere gebeurtenissen portretteren) zijn ruim vertegenwoordigd: 101 stuks. Uit de veertiende eeuw komen er 19, waarvan een groot deel uit het Manesse handschrift van ca 1305-1322 afkomstig is, uit de dertiende en twaalfde eeuw elk één, uit de elfde niks en dan een achttal uit de achtste tot en met de tiende eeuw. Uit de vijfde tot en met de zevende eeuw is er ook niks. Ik vind dat mager. Natuurlijk wordt dat wel wat gecompenseerd door afgebeelde voorwerpen uit de betreffende tijd, maar 38 is ook niet echt veel, als je het spreidt over die 10 eeuwen. Er zijn ook nog 23 foto’s van historische gebouwen en een re-enactment (waar ikzelf nog als monnik op de rug te zien ben: uiterst rechts, p. 59),

11 kaarten (mooi en fris vormgegeven) en mijn persoonlijke favorieten: de 11 reconstructies. Met name die van historische landschappen vanuit de lucht door Ulco Glimmerveen vind ik zeer geslaagd. Uit eigen ervaring weet ik echter dat er veel meer te vinden is over die perioden die in dit boek zo spaarzaam van tijdeigen materiaal zijn voorzien. Dit is voor mij weer de zoveelste gemiste kans.

Ben ik dan ontevreden over Nederland in de middeleeuwen? Geenszins. Ik vind het een mooi, behoorlijk compleet en goed geschreven boek, waar de al wat ingevoerde leek veel van zijn gading in kan vinden. Een volstrekte leek zal echter niet altijd begrijpen wat Kuipers bedoelt en dat is misschien jammer, maar een bezoekje via Google aan Wikipedia kan daar antwoorden voor leveren. De vraag is alleen: gaat men dat doen? En, nog belangrijker, wie gaat dit lezen? Historici, en met name mediëvisten, weten dit allemaal al en ze kennen de plaatjes van haver tot gort. Is het boek dan bedoeld voor onderwijzers en leraren die hun stof willen uitdiepen? Die kennen en/of bezitten waarschijnlijk de boeken van Speet al. Bovendien: hebben ze wel de tijd om deze kennisverbreding toe te passen? Gaan leerlingen dit boek dan kopen of voor Sinterklaas krijgen? Ik betwijfel het. Daarvoor is het te veel: meer van hetzelfde, dat ze al uit de lesboeken kennen. Ik denk niet dat ze dertig euro gaan uitgeven aan wat extra lesstof. Behalve misschien die enkeling die later historicus wil worden (zijn die er nog?). Dus wat is dan het publiek? De grijze golf; mijn leeftijdsgenoten die van hun pensioen genieten en de historische musea bevolken? Ik weet dat de meesten kapitaalkrachtig zijn (hoewel…) maar als je het alleen van die groep moet hebben… Of misschien is het voor die spaarders die ook de andere canons al hebben en zo weer wat completer worden. Ook geen grote groep, lijkt me. Kortom: ik hoop voor de uitgever en de schrijvers dat het goed verkoopt, maar ik heb er een beetje een hard hoofd in. Over een jaar zullen we weten of ik hier te somber over was.

Jan Kuipers, mmv Goffe Jensma en Oebele de Vries, Nederland in de middeleeuwen. De canon van ons middeleeuws verleden (Zutphen 2011)

woensdag 16 november 2011

Moeten historici niet eens wat meer populariseren?

Rutger Bregman was niet de eerste die het wetenschappelijke wereldje een sekte van zichzelf in stand houdende intellectuelen noemde die expres ingewikkelde boeken schrijven die louter bedoeld zijn voor de collega’s. Zie: http://www.trouw.nl/tr/nl/4556/Onderwijs/article/detail/3031340/2011/11/13/Wetenschap-wordt-een-vrijwel-ondoordringbare-sekte.dhtml
Dikwijls is die mening geventileerd door mensen die uit dat wereldje waren gevallen of er geen toegang toe konden krijgen. Kinnesinne dus. Niet bij Bregman, want dat schijnt een briljant geschiedenisstudent te zijn (haalde zijn BA met het dubbele aantal studiepunten: uitslover, zeggen we hier dan) die in zijn onderzoeks MA fase al jongere jaars lesgeeft. Hij is ook geen herintredende deeltijdstudent, maar een jongen van 24. En hij heeft naast de studie nog veel andere dingen gedaan en geschreven. Kortom: niet de eerste de beste.
Ik kan me wel een beetje verplaatsen in die karakterisering van wat er op universiteiten plaats vindt. Ik heb er in mijn tijd in Leiden alleen weinig last van gehad. Mijn docenten middeleeuwse geschiedenis waren een stel relatief jonge, enthousiaste en deskundige historici met veel zeer leesbare boeken en artkelen op hun cv.  En ik was natuurlijk geen 20-jarig groentje  zonder veel relevante vooropleiding toen ik begon met studeren. Dat die jonge studenten door die wetenschappelijke mores geïntimideerd werden kan ik me daarom best voorstellen. Dat er om die reden veel afvielen ook. Aan de andere kant was het mooi om te zien hoe een gedeelte van die jongelui rond het begin van de masterfase opbloeiden en hun hoekje in het vak vonden. Misschien lag het aan Leiden en mijn faculteit, maar ik heb die universitaire gebruiken nooit als hinderlijk ervaren. Integendeel. Ze waren evenzovele gereedschappen om goed onderzoek te kunnen doen en er helder en duidelijk over te leren schrijven.
Ook heb ik nooit moeite gehad met het lezen van boeken met voetnoten en een bibliografie. Integendeel. Ver voor ik ging studeren begreep ik het nut daarvan. Dat sommigen dat type boeken als ‘moeilijk’ ervoeren kon ik daarom ook niet volgen. Ik gooide het dikwijls maar op de luiheid van die critici die liever een eenvoudige geschreven spannend verhaal met veel kleurenplaatjes lazen . Omgekeerd maakte we in Leiden ook altijd grappen over de boeken of artikelen van docenten als er geen of nauwelijks plaatjes in stonden.  Of als hun boeken te snel bij De Slegte lagen. En dat konden ze best waarderen.
Misschien ben ik dus verwend als ik geen last heb gehad van de “professoren kaste”. Toch wil ik wel een aanvulling geven op dit nogal felle betoog van Bregman. Ik heb altijd begrepen dan wetenschappers opgeleid worden om hun vak tot in de puntjes te beheersen, onderzoek te  doen, daarover te publiceren en vervolgens het resultaat in zo’n vorm aan het bredere publiek te presenteren. En dan wel op zo’n manier dat het door hen, zonder wetenschappelijke opleiding, kan worden begrepen en  kan worden geïntegreerd in hun eigen kennis van welk onderwerp dan ook. Populariseren, heet dat. Ik heb begrepen dat een beetje een lelijk woord is in kringen van wetenschappers. Waarom dat zo is, begrijp ik niet. De universiteit, de salarissen van de docenten en veel van de onderzoeken worden betaald uit openbare middelen. Die worden door het hele, in ons geval, Nederlandse volk via de belastingen opgebracht. Dan is het niet meer dan normaal dat het volk ook op een begrijpelijke manier de opgedane kennis te horen of te lezen krijgt. En dan bedoel ik niet via een klein berichtje over een nieuw inzicht in de wetenschapsbijlage van de krant of als media event bij Pauw en Witteman of Van Nieuwenhuizen.
Neem nou de middeleeuwse geschiedenis. In mijn onderzoek naar de middeleeuwen in de Nederlandse lesmethoden kwam ik veel al lang achterhaalde kennis tegen. In mijn boekenkasten staan vele, de laatste 20 jaar door Nederlandse en buitenlandse historici geschreven werken, waarin de recentste bevindingen op mediëvistiek gebied te lezen staan. Die kennis is dus niet in de schoolboeken terecht gekomen. Hoe komt dat? Hebben de  schrijvers ervan  die boeken niet gelezen? Vonden de uitgevers het niet belangrijke genoeg om hun, soms nauwelijks van vorige edities aangepaste teksten te vernieuwen? Of hebben historici nagelaten deze schrijvers en uitgevers van samenvattingen van hun recentelijk opgedane kennis te voorzien?  Ik weet het niet zeker en daarom ga ik daar in de nabije toekomst ook naar op zoek. Ik weet wel dat het heel nuttig zou zijn als die nieuwe informatie voor juist dit doel , het onderwijs, steeds snel beschikbaar is op bijvoorbeeld een centrale plek, waar iedereen erbij kan. Gemiddeld elke vijf jaar zijn lesmethoden aan vernieuwing toe (of nu, met de tien tijdvakken, zo om de tien jaar) en het zou nuttig zijn als bij de schrijvers of uitgevers door historici samengevatte artikelen en boeken klaar lagen om in de nieuwe editie verwerkt te worden.
Is dat te veel gevraagd? Willen historici dat? Dat ze het kunnen is buiten kijf en er zijn  er veel die al heel begrijpelijke boeken schrijven waarvan de inhoud zo overgenomen kan worden. Maar voor hen die juist die ‘moelijke’ boeken schrijven moet het toch een fluitje van een cent zijn hun werk in een paar pagina’s te karakteriseren? En dan kunnen ze er ook gelijk bijzetten hoe hun bevindingen afwijken van wat vroeger gedacht werd. Als waar is wat Rutger Bregman schrijft en dat de universitaire 'sekte' dat soort popularisering juist tegenhoudt, kan ik dat wel vergeten. Maar ik geloof daar niet in. Zeker niet waar het mijn oud-docenten betreft. Hoe het bij andere universiteiten toegaat weet ik niet, maar als daar ook jonge, enthousiaste historici  rondlopen moeten die met bovenstaande argumenten toch over te halen zijn? Ik begrijp dat Kleio, het blad van de VGN (http://www.vgnkleio.nl/vgn), eigenlijk al een beetje die functie vervult, maar, zoals ik al eerder schreef, dat staat voornamelijk vol met de geschiedenis van de laatste twee eeuwen. Andere perioden komen maar mondjesmaat aan de orde. Waar je dan ook weer vragen bij kunt stellen. Punt blijft dat de informatie uit de stukjes in Kleio dikwijls weer niet in de lesmethoden terecht dreigen te komen. Het artikel over de afwezigheid van ridders in het tijdvak Monniken en ridders door Antheun Janse is daar een voorbeeld van. Het werd echter pas in 2009 gepubliceerd, toen die ridders al lang in dat tijdvak in de lesmethoden zaten. Het is afwachten of ze in een volgende editie eruit zullen zijn gehaald. Of dat het tijdvak een andere naam krijgt.

donderdag 27 oktober 2011

Een historicus is een illusie-verwoester


Onder de kop ‘De koude douche van de geschiedenis’ discussieerden afgelopen woensdag 26.10.2011 emeritus-hoogleraar filosofie van de geschiedenis Frank Ankersmit met Paul van Tongeren, hoogleraar wijsgerige ethiek in Nijmegen over de onthullingen die enkele historici de laatste tijd over ons verleden hebben gedaan. Het ging hier om de ‘ontmaskering’ van Vincent van Gogh als een “manipulator en leugenaar” en de ontdekking dat sommige verzetsgroepen er nogal maffia-achtige praktijken op nahielden. Ik heb geen van beide boeken gelezen, maar vooral  dat laatste was me al tientallen jaren bekend. Wijlen mijn vader kon daar sterke staaltjes van vertellen. Ik kreeg aan de eettafel al orale geschiedenis; natuurlijk dikwijls zwaar aangedikt en waarschijnlijk volkomen subjectief. Maar toch.  Wat Van Gogh betreft: ik mag zijn schilderijen graag, maar heb nooit de moed gehad die dikke brievenboeken te lezen. Bovendien is dit natuurlijk allemaal ver na ‘mijn’ tijd.
Het gaat mij echter om het gevoel van teleurstelling dat uit de kop sprak. Ankersmit legde uit dat dat er nou eenmaal bij hoort. Als iets net gebeurd is kun je het nog goed navertellen al is het nog gekleurd doordat je er nog geen afstand van kunt nemen.  Dat navertellen wordt met de jaren minder. Dan begint het beeld te vervagen en vertekent het en dan begint het interpreteren. Al naar gelang het onderwerp kan dat een positief of negatief beeld opleveren, maar in ieder geval wordt het een verhaal . En dat verhaal is nogal romantisch en krijgt óf rooskleurige óf pikzwarte trekken. Pas na verloop van jaren en nieuwe, hopelijk objectieve, onderzoeken in de beschikbare bronnen  wordt het beeld gecorrigeerd. De recente geschiedschrijving over de Tweede Wereldoorlog is daar een goed voorbeeld van. Maar ook de middeleeuwen (zonder hoofdletter, Trouw) heeft zo een flink stuk van zijn kleurrijke kanten verloren. Volgens Ankersmit. Degenen die mijn stukkies lezen, weten dat daar bij de leek nog heel wat op af te dingen is, maar hij heeft gelijk dat de historici zelf inmiddels wel ongeveer weten hoe de vork toen in de steel zat.
“Er zit wat anti-emotioneels in de geschiedschrijving” zegt Ankersmit, maar het is onafwendbaar en noodzakelijk. Dat maakt  het er niet prettiger op, geeft hij toe, want het gaat ten koste van de bekende nostalgische gevoelens die mensen graag koesteren. De filosoof komt daarop natuurlijk met het bekende post-moderne bezwaar dat die “onttoverende” werking eigenlijk niets zegt over de geschiedschrijving maar juist wel wat over de schrijvers-historici. Ja hoor, dat weten we nou wel: niemand is ooit echt onbevooroordeeld. En er zullen ook altijd al of niet verborgen agenda’s blijven. Learn to live with it,  en doe je best zo eerlijk mogelijke conclusies te trekken uit het materiaal dat je hebt gekozen (!) om een probleem op te lossen. En, vooral: geef het toe als later blijkt dat je fout zat. De historiografie is al veel te lang het toneel van vetes tussen historici geweest, die pas ophielden met de dood van de kemphanen. Waarna hun leerlingen eindelijk hun bedenkingen konden uiten. En zo weer nieuwe controverses uitlokten.
Waar Van Tongeren wel gelijk in heeft is dat historici niet anders dan met hedendaagse ogen naar de geschiedenis kunnen kijken. Maar dat hebben ze altijd al gedaan. We hebben nu alleen meer kennis. Als dwergen op de schouders van reuzen kunnen we gewoon verder kijken. Bovendien zijn we steeds minder gebonden aan onze ‘zuil’ of ons ‘geloof’ en zijn er tegenwoordig veel betere verdedigingen tegen manipulatie van de geschiedenis door overheden in onze democratische regeringsvorm. Niet dat politici niet zouden willen dat historici soms meer op hun hand waren, maar dat is een ander verhaal…. En het is te hopen dat geen enkele historicus zich nog ooit daarvoor zou lenen. Maar ik houd mijn adem niet in.
Waar geschiedkundigen wel voor moeten oppassen, zegt Ankersmit ter afsluiting, is dat ze zelf geen nieuwe mythes creëren: “verzetshelden zijn eigenlijk misdadigers, de geniale kunstenaar is in feite maar een profiteur en een manipulator”. Het doorprikken van mythes en het ontmaskeren van helden is verder natuurlijk een aantrekkelijke manier om in de publiciteit te komen. Je zit zo bij Pauw en Witteman of Van Nieuwenhuizen aan tafel en dat komt je oplagecijfers uiteraard ten goede. En als je dat zelf niet wil,  zal je uitgever je wel pushen.
Voor mij komt het erop neer dat ik het vooral eens ben met Ankersmit  als hij zegt dat elke historicus verplicht is om “te blijven zoeken naar wat er ‘echt’ gebeurd is, in het besef dat je altijd door je eigen ogen, tijdgebonden, ogen kijkt en dus nooit in volle scherpte zal zien.” Kanttekening daarbij is natuurlijk wel dat het al bijzonder moeilijk is om je eigen  tijd te bevatten. Je moet maar hopen dat er uit het verleden voldoende betrouwbaar materiaal over is om conclusies over historische gebeurtenissen te kunnen trekken die hout snijden. Je doet dat inderdaad eerst voor jezelf, maar wel met de bedoeling je lezers mee te laten delen in je vondsten en hen te helpen een duidelijker beeld te krijgen van het verleden. Dat daarbij een gevoel van romantisch heimwee sneuvelt moet dan maar. Nostalgie is leuk, maar het is geen geschiedenis.
Om met de middeleeuwen te eindigen: het ontmaskeren van allerlei mythes en fabels over die periode is al vele jaren gaande. Het probleem is dat de leek er niet aan wil en in dat gevoel bevestigd wordt door de media. Je mag hopen dat het met de wat recentere geschiedenis makkelijker gaat, al zie ik dat oor en die zelfmoord van Vincent vG niet zo gauw uit het denkraam van het publiek verdwijnen. Dat diverse leden van verzetsgroepen niet zulke lekkere jongens en meiden waren was onder de langzaam zeldzamer wordende tijdgenoten genoegzaam bekend, maar werd meestal met de mantel der liefde (of schaamte) bedekt. Daar praatte je niet over, behalve onder elkaar. Historici zijn dan net journalisten: die zijn niet bang voor een lekker verhaal dat de boel eens flink door elkaar schudt. En nu maar hopen dat ze niet naast hun schoenen gaan lopen.

vrijdag 14 oktober 2011

Ontzettend ontzet


Omdat ik toen op vakantie was heb ik de krant van donderdag 29 september gemist.  Zodoende kwam ik het stuk van Henny de Lange over de foto van Leidens Ontzet van Erwin Olaf in Trouw pas vanmorgen (12/10) tegen toen ik de oude kranten even doorkeek op mogelijk interessante artikelen.  De teaser op de voorpagina maakte me al aan het schrikken want daar zag ik de beruchte pestdokters met hun maskers opduiken.  En ja hoor: in het cultuur en media katern van De Verdieping stond het hele tafereel over de volle breedte van een pagina te pronken. 

Het werd door de auteur een “eigentijds historiestuk” genoemd. Dat laatste is, volgens Van Dale, een “schilderij of toneelstuk dat een geschiedkundig feit tot onderwerp heeft”.  Het eigentijdse is erin gelegen dat er naast een verbeelding van het historische feit van het ontzet van Leiden ook nog een mp3-speler, een moderne bril, een I-pod, een sm-riempje (wat zou dat zijn?) en een Chanel-achtig tasje te zien zijn. Leuk! Dat maakt het waarschijnlijk een stuk verteerbaarder voor de moderne beschouwer. Olaf wilde ze namelijk prikkelen om goed te kijken en zo steeds maar weer nieuwe dingen te ontdekken. Een “visueel  feest” dus: zoek de anachronismen. Of je op school een geschiedenis werkboek openslaat.
De foto past in een traditie. Al eeuwen worden dergelijke historiestukken gemaakt om allerlei redenen. Dat was dan meestal om een historische gebeurtenis in de gedachten van het volk te verankeren en hen ervan te overtuigen dat hier geschiedenis gemaakt werd ter meerdere eer en glorie van volk en vaderland. Er stonden altijd een paar helden op in strijdbare poses. Ze moesten tot voorbeeld dienen voor de natie en het volk aanzetten tot pattriottisme en trots. Een belangrijke overeenkomst tussen al die historiestukken was echter dat ze bijzonder onhistorisch waren (en zijn). De geschiedenis werd er meestal naar hartenlust in gemanipuleerd. Juist vanwege de verplichting van het geven van het goede voorbeeld betekende dat dat negatieve of niet zo heldhaftige zaken onder het tapijt werden geveegd.
Een andere eigenschap van die stukken was het binnen één kader brengen van meerdere gebeurtenissen die in het echt bepaald niet gelijktijdig plaatsvonden. In de middeleeuwen deed men dat door bijvoorbeeld om een centraal thema een serie stripachtige gebeurtenissen in kadertjes daaromheen te zetten, waar je de hoofdpersoon steeds weer in tegenkwam. Erwin Olaf heeft dat hier ook gedaan. De mythe van de minnares van de Spaanse belegeraar, die hem overgehaald zou hebben nog een nachtje te wachten met een defiitieve aanval op de stad, kun je in dezelde Pieterskerk terugvinden als het binnenkomen van de geuzen, de burgemeester die zijn arm (of zijn lichaam, daar zijn de geleerden het niet over eens) aan de hongerigen te eten wil geven, de onverzoenbare opstelling van Van der Does en Van Hout en de godin van de overwinning (is het nu Nikè/Victoria, die gevleugeld hoort te zijn, of toch Pallas Athene/Minerva, gezien de medusakop op haar schild). En de pestdokters die een lijk wegdragen.
Die pestdokters… Gerard Soeteman en Paul Verhoeven hadden voor hun tv-serie Floris (1969) een stel mannen met maskers nodig en haalden ergens de fabel vandaan dat dokters die de pest behandelden die dingen voor hadden. Ze werden hierin waarschijnlijk geïnspireerd  door een van een Italiaan nagestoken gravure van kort na 1656 door Paulus Fürst uit Neurenberg van een persoon met zo’n masker. Als je de tekst erbij goed leest zie je dat er over een fabel over een dokter Schnabel (dottore Becco) wordt gesproken. Dat is een commedia dell’arte figuur (Il Dottore)  die een potjeslatijn sprekend, laf en inhalig type dokter voorstelt die in de geïmproviseerde toneelstukken van die tijd ongenadig te kijk wordt gezet. En in de commedia dragen de spelers maskers! Een andere Duitse graveur, Gerhard Altzenbach uit Keulen, nam die prent (gespiegeld) over en voegde er een onderschrift aan toe waarin hij schreef dat dokters er tijdens de pest in Rome echt zo bijliepen. En in 1661 drukte de Deense dokter Bartholin in één van zijn geneeskundige werkjes nogmaals een kleinere versie van deze figuur af en vermeldde erbij dat je dergelijke dokters in Venetië (!) kon tegenkomen. Hij had zeker het carnaval meegemaakt in de stad (waar hij echt was geweest) die als bakermat van de commedia beschouwt wordt.

Het kwaad was in 1969 inmiddels geschied. In Nederlandse historische stukken en strips, evenals boeken en films komen deze pestdokters in ruime getale voor. En het internet heeft ze sinds de jaren ’90 over de hele wereld verbreid. Als je pest, plague, pestdokter en plaguedoctor googlet kom je allicht één van die gravures tegen. Of een slechte hertekening ervan. Inmiddels staan in musea poppen in deze uitmonstering en wordt erbij verteld dat ze zo tijdens de Zwarte Dood (1348-51) rondliepen. En lopen er re-enacters in rond die in die dracht kinderen de stuipen op het lijf jagen bij zulke evenementen als een Gezondheidsfestival of het Gebroeders Van Limburg weekend.  Maar het klopt niet. Op geen enkele prent, gravure, schilderij of miniatuur die scenes uit pestjaren illustreren kom je dergelijke dokters tegen. En ik heb er inmiddels honderden gezien. En nu staan ze weer op de foto van Erwin Olaf over het ontzet van Leiden in 1574.
Ja, ging het daar maar over. Maar dit is natuurlijk net zo’n stuk gemanipuleerd verleden als alle andere historiestukken. De middeleeuwse historieschilders wisten niets van hoe men er voor hun tijd uitzag. Ze beeldden bijbelse figuren en Romeinse martelaren gewoon uit in de kleding die ze zelf droegen. In de Renaissance deed men een poging klassiek-achtige kostuums op figuren uit de eigen tijd te schilderen en dat hield men tot ver in de achttiende eeuw vol. Pas in de negentiende eeuw ging men echt onderzoek naar historisch kostuum doen en ontstonden er reconstructies van kleding die ook in de historiestukken uit die eeuw terechtkwamen. Of die neo-gotische of  neo-renaissance schilders nu wel zo betrouwbaar te werk gingen is de vraag, maar ze probeerden het tenminste. In die traditie moet je ook de schoolplaten van Jetses, Bottema en Isings zien. Goede probeersels maar in hun tijd was echt nog niet alles over kleding bekend en men deed dan soms maar wat.
Dat excuus heeft een hedendaagse ‘historieschilder’ niet. Inmiddels is wel zo’n beetje bekend wat mensen in het verleden droegen, ook dankzij de re-enacters en levende geschiedenis spelers. Maar op een enkele uitzondering na staan er in dit ‘schilderij’ geen laat zestiende-eeuwers. Het is voornamelijk zeventiende-eeuws wat je ziet en dan ook nog mensen in diverse stadia van ontkleding. Alsof het hebben van honger je ook immuun tegen Hollands herfstweer maakt. De zestiende-eeuwer liep zelfs niet in zijn hemd, behalve als het echt nodig was. Maar wat doet die dwerg daar dan en die drie blote mannen? Is dat een keuze van Olaf, die wel van wat decadentie houdt? Of waar slaat die scene met het opzetten van de galg in de kerk op? Of waarom staat daar een donkere medewereldbewoner tegen die pilaar?
Ik weet het niet hoor, maar als ik dit zie denk ik alleen maar: ik hoop niet dat mensen gaan denken dat het op 4 oktober 1574 werkelijk zo toeging of eruit zag. Want dat was niet zo. En er liepen ook geen pestdokters met maskers rond, want die bestonden dus niet.  Ik lees bij de reacties op een vergelijkbaar artikel in de NRC echter al: “Zeer bijzonder. Zo in te zetten in de geschiedenisles!” Je moet er niet aan denken.
Inmiddels is allang bekend hoe het wel toeging tijdens het beleg en het ontzet van Leiden. Er zijn de laatste jaren enkele goede boeken uitgekomen over de achterliggende geschiedenis, met materiaal uit eigentijdse bronnen en gedegen reconstructies van wat nu precies waar gebeurde en waarom. De mythes zijn allang ontkracht, maar ga dat maar eens aan het 3 oktober comité vertellen. Die zeggen dat de verhalen , inclusief dat van de Spaanse veldheer en zijn Hollandse minnares en de arm van Van der Werff, “waarschijnlijk niet waar” zijn. Nee: ze zijn niet waar! En met zo’n ‘iconisch beeld’ als dat van Olaf blijf je maar bezig met het voortzetten van die geschiedvervalsing. Van de stad van mijn Alma Mater had ik meer wetenschappelijke diepgang verwacht.

maandag 29 augustus 2011

...we doen een walsje...

Sprak de voorman van een muziekgroepje gisteren, zondag 28 augustus 2011, vroeg in de middag op de Grote Markt van Nijmegen. Het was de laatste dag van het Gebroeders Van Limburg Festival (GvLF): "het grootste Middeleeuwen-festival van Nederland", zoals dat voorop het programmaboekje staat. De muziekgroep, met o.a. een accordeon, stond op zo'n overdekt high-tech pop-podium achter een microfoon en in de ruimte ervoor, tegen de terrassen bij de Waag aan, stonden de leden van een dansgroep klaar om het walsje daadwerkelijk te gaan doen. Ik verbaasde me die dag al lang niet meer over waarom er een wals gespeeld en gedanst zou worden, want die dans is zo rond het midden van de 18e eeuw ontstaan, maar het deed wel de deur dicht. Ik hield het festival voor gezien.
Het was die morgen al niet best begonnen. Bij het beklimmen van de kerktrappen vanaf de Stikke Hezelstraat viel me een daar hangend bord op: Slinger Chips. Eronder stond een grote kist aardappelen. Aardappelen? In de 16e eeuw ingevoerd uit de Amerika's en zo in de late 18e eeuw hier pas volksvoedsel geworden en nu lagen ze te spetteren in de olie op een middeleeuws festival? Op het Stevenskerkhof aangekomen (daar stonden onze ambachtslieden) bleek er nog een eetkraam te staan, nu met hammetjes en vleesspiesjes die je aan rustieke sta-tafels kon opeten. Ernaast stonden, midden in het pad dat volgens de brandweer vrijgehouden moest worden, een paar op, zo te ruiken, petroleum brandende fakkels op schouderhoogte. tScapreel heeft altijd behoorlijk veel moeite om de vuurtjes die bij sommige ambachten horen door de brandweer goedgekeurd te krijgen (er is in de 15 jaar dat we bestaan nog nooit iets misgegaan met die vuurtjes: afkloppen!) maar hier liepen mensen met o.a. nylon jacks vlak langs die open vlammen. Ik ben maar niet te lang blijven kijken en ik hoop dat er geen mensen brandwonden hebben opgelopen.
Niet alleen op het Stevenskerkhof gebeurden vreemde dingen. In het Kronenburgerpark stonden de militaire kampen. Daar lieten de re-enacters hun kunnen zien en stond de spectaculaire trebuchet zakken water tegen een toren te slingeren. Altijd leuk voor de kinderen. Er waren ook veel ridders in ijzeren pakken en helmen. De jongetjes, en hun vaders, vonden het prachtig. Of ze echter goede voorlichting over het middeleeuwse krijgsbedrijf kregen is de vraag. Zo hoorde ik een huurling beweren dat zwaarden zo duur waren dat alleen de rijke ridders die op het slagveld gebruikten. Huurlingen zijn meestal geen ridders, maar hij had zelf wel zo'n ding opzij hangen. Rara, hoe kan dat?
Overigens waren er ook Schotten met rokken in dat middeleeuwse kamp. Zou de 18e eeuw behoren tot een fenomeen dat wel de 'lange middeleeuwen' wordt genoemd? Die Schotten zagen eruit alsof ze makkelijk met de slag bij Culloden (1746) mee hadden kunnen doen.
En toen kwam ook nog dat walsje...
Ik heb op weg naar het station nog een driekwart van de stoet gezien. De ridders te paard van HEI waren weer magnifiek, de jonge trompenblazers in hun nieuw grijs-roze livrei zagen er leuk uit, Wronghel & Wei speelde en zong prachtig en het antipendium van het St Olofgilde was spectaculair, maar de weesmeisjes met hun capertjes, de vrouwelijke witte monniken met bril, de acolieten op hun Spaanse sloffen en het arreslee-bellentuig van de paarden van de hertogin deden me de moed in de schoenen zinken. Ik vluchtte Nijmegen uit.

vrijdag 29 juli 2011

Henk in het NOS Journaal

Vrijdag 29 juli ben ik in mijn werkkamer bij het Centraal Bureau voor Genealogie geïnterviewd door Pauline Broekema van het NOS Journaal. Het wapenregister van het CBG bestaat dit jaar 40 jaar en 28 juli was het dan ook precies zolang geleden dat het eerste wapen werd ingeschreven. Het wapenregister, waar ik één van de twee beheerders van ben, werd opgericht om burgerfamilies de gelegenheid te geven hun wapens te deponeren, om iedereen de gelegenheid te geven kennis te nemen van welke wapens niet-adellijke families voerden. Van het begin bestond de mogelijkheid een nieuw wapen aan te nemen en dat te laten registreren. Daar hebben velen gebruik van gemaakt. De teller staat nu op ruim 1150, waarvan ruim 700 nieuw zijn. Ga naar http://194.171.109.12/page/335/wapenregistratie als je meer van deze mogelijkheid af wilt weten.
Tussen 1980 en 1992 ben ik ook wapentekenaar voor dit register geweest en heb ik vele familiewapens ontworpen. Dat is sinds 2008 weer het geval, maar nu schilder ik die wapens niet meer met een penseeltje, maar teken ik ze op de computer. De tijd schrijdt voort...
Het interview werd op zondagavond 31 juli om 20.00 uur uitgezonden en later op de avond  herhaald. Een uitgebreidere versie staat ook op de website van het Journaal: http://nos.nl/artikel/260607-eigen-familiewapen-nog-steeds-populair.html. De nieuwspagina van het CBG heeft er ook aandacht aan besteed: http://194.171.109.12/page/6/home+-+nieuws.

De moeite waard om er eens kennis van te nemen. Je komt zo te weten wat collega Guus van Breugel en ik daar allemaal uitspoken.