De langverwachte canon over de Nederlandse middeleeuwen is uit. Hij is bij uitgeverij Walburg Pers verschenen in een serie van diverse andere historische canons die daar zijn geproduceerd. Zoals te verwachten is het boek opgedeeld in 50 ‘vensters’ en die zijn rijk geillustreerd: wel 293 plaatjes en platen op 192 pagina’s. Elk venster bestaat uit drie of vier pagina’s, waarvan de illustraties ongeveer de helft innemen. Ook zijn er kaartjes in opgenomen en af en toe kadertekstjes. Ik moet zeggen: het ziet er fris en kleurig uit en het is vakkundig vormgegeven.
Het probleem met een canon van 50 vensters ov er 1000 jaar geschiedenis is dat het noodzakelijkerwijs een verzameling weetjes en feiten is. Je kunt er natuurlijk nooit erg de diepte mee ingaan en verbanden ertussen zijn niet makkelijk te leggen. Traditioneel worden die feiten doorspekt met verhalen die meestal van fabuleuze herkomst zijn. Dit boek staat er ook vol mee. Verhalen helpen om de geschiedenisles levendiger te maken, maar omdat ze allemaal zo legendarisch zijn, wordt het begrip voor het verleden er niet helderder door. Het gevaar bestaat zelfs dat met name de middeleeuwen tot een soort sprookjesland worden gemaakt. Kuipers en zijn mede-auteurs hebben uiteraard geprobeerd nuchtere geschiedenis te schrijven. Ze vermijden ook niet het vermelden van controverses en stippen nieuwe denkbeelden over oude problemen aan. Het met gulle hand toevoegen van fabels en mythes, doet dat uitgangspunt echter een beetje teniet. Het maakt het hele verhaal daarom wat onevenwichtig.
Voor een historicus, en zeker een mediëvist, bevat het boek ook weinig verrassingen. Er zijn maar een paar echt nieuwe vensters. Het eerste gaat bijvoorbeeld helemaal over de Romeinen en hun Germaanse bondgenoten. Het tweede vermeldt de nogal heftige, maar al lang bij kenners bekende, mededeling dat de Friezen eigenlijk Saksen, Angelen en Juten zijn. Vorig jaar kon men dat al lezen in Lenderings en Bosmans, De rand van het rijk (2010), welk boek overigens niet wordt genoemd als bron. Ik heb trouwens de indruk dat dit nieuws nog steeds niet in Friesland is doorgedrongen, hoewel het al zo’n vijftig jaar bekend is. Na deze eerste klappen komen de traditionele, ook in de tien tijdvakken van De Rooij voorkomende, onderwerpen aan de orde. Men gaat in een rotvaart door 1000 jaar geschiedenis, zoals elk geschiedenisboek uit het verleden de middeleeuwen behandelde. Niets nieuws onder de zon dus. Wel leuk is de aandacht voor de ketter Tanchelm en de Kleine IJstijd en, omdat Vlaanderen ook wordt meegenomen (wat ik zeer terecht vind), komen ook de Guldensporenslag plus zijn gevolgen voor Holland en Zeeland en de carrière van de Arteveldes langs. Er is dus wat vernieuwing, maar nog niet veel.
De indeling is thematisch: politiek en vorsten worden afgewisseld met kerkelijke geschiedenis en economie. Telkens zitten hier ook vensters met culturele onderwerpen tussen zoals die over de liedjes schrijvende hertog Jan (die van de pils) en een hoofdstuk over volkscultuur. Persoonlijk ben ik blij dat er ook wat aandacht aan klimaat, waterstaat en ontginnings- en nederzettingsgeschiedenis wordt besteed. Dat kan in zo’n kader natuurlijk nooit uitputtend, maar het staat er in ieder geval in.
De schrijver, Jan Kuipers, heeft een soepele stijl en weet diverse soms ingewikkelde problemen meestal in eenvoudige taal te gieten. Uit betrouwbare bron weet ik dat dit boek voor leken is bedoeld, dus dat moest ook wel. Toch zet ik dan soms nog wel wat vraagtekens bij bepaalde zaken, die ik nou niet zo eenvoudig verwoord vindt of waar je toch wat uitleg bij nodig hebt. Zo wordt het begrip ‘ministeriaal’ nauwelijks uitgelegd, moet je als leek toch even opzoeken wat roosvensters, steunberen en luchtbogen zijn of wat een haam is. Het is bijvoorbeeld ook handig om een plaatje ervan te hebben als je leest dat de symbolen van de Bourgondiërs een vuurslag en een naar hen genoemd kruis waren. Dat Kuipers, als Zeeuw en medeschrijver van de Zeeuwse canon, af en toe wat extra aandacht aan zijn provincie besteedt kan ik billijken. Zijn eigen medeschrijvers, Goffe Jensma en Oebele de Vries, zijn aangetrokken om enkele typisch Friese onderwerpen in te vullen die Kuipers niet zo in zijn bagage had. Er is verder telkens aan het eind van zo’n venster gezorgd voor een kort literatuurlijstje. Curieus vind ik wel dat daarin soms naar de andere canon-boeken van de Walburg Pers wordt verwezen. Mag dat wel? Of is dat gewoon zakelijk denken? Een stilistisch minpuntje vind ik dat Kuipers af en toe de neiging heeft om wat kleurrijke bijvoeglijke naamwoorden te gebruiken, die me steeds een beetje deden opschrikken: spijkerharde opportunist (45), mystieke schemer (124), droomachtige spiralen (125, of is dit een hertaling van ‘dreaming spires’ oftewel de torens van de colleges in Oxford?) en monumentale bisschop (163, over David van Bourgondië). Het is een beetje of je een populaire schoolmeester hoort. Maar misschien is hij dat ook wel…
Ik ontkom er niet aan deze canon te vergelijken met de beide door Ben Speet geschreven delen 3 en 4 in de serie de Kleine geschiedenis van Nederland. De boeken bevatten iets minder illustraties op ongeveer anderhalf keer het aantal, iets kleinere, pagina’s. De middeleeuwen worden, zoals te verwachten is van een canon, in het werk van Kuipers cs dus beduidend korter beschreven. Toch komt de stof behoorlijk overeen, al had Speet meer ruimte om de thema’s uit te werken. Zo besteedde hij de nodige aandacht aan het rechtswezen in de vroege middeleeuwen, ging hij wat dieper in op wat Karel de Grote allemaal deed en had hij wat meer ruimte voor andere dan alleen Willibrord als missionarissen en voor de noormannen. Speet had ook meer verhalen over de Hollandse graven, handel, kerk en de hogere cultuur. Hij was echter beduidend Hollandocentrischer dan het nieuwe boek: Brabant, Gelre en het Sticht kwamen er nauwelijks in voor en het Friesland, Groningen, Drenthe en het Oversticht van na 1000 al helemaal niet. Vlaanderen bleef trouwens bij Speet helemaal buiten beeld. Bij Kuipers krijgen die provincies wel de nodige aandacht, ook geholpen door de Friese mede-auteurs natuurlijk. Zo hoort het ook. Het is ook eerlijker ten opzichte van al die lezers buiten de Randstad. Holland, als rijkste en daardoor ook belangrijkste gewest van de noordelijke Nederland, is echter ook hier het meest genoemde land, op de voet gevolgd door Vlaanderen, met Brabant , Zeeland, het Sticht en Friesland als derde tot en met zesde.
Toch zijn er een paar curieuze leemtes te vinden in de nieuwe canon. Zo blijven de praktijken van het leenstelsel nogal onderbelicht. Is dat vanwege de nieuwe inzichten over feodaliteit sinds Fiefs and vassals (1994) door Reynolds? Terecht is, vind ik, de geschiedenis van de islam afwezig, behalve als het even over de kruistochten gaat. Hierin wijkt dit boek af van alle methoden en van Speet, waarin bij de tijd van monniken en ridders deze godsdienst en zijn gevolgen toch uitgebreid behandeld worden. Ik heb dat al eerder politiek correct genoemd, al hoort het in internationaal verband er natuurlijk wel bij in het voortgezet onderwijs. Ook mis ik in de nieuwe canon de redenen en gevolgen van de Investituurstrijd, de kritiek op de kerk in de late middeleeuwen (die alleen bij de Moderne Devotie even langs komt) en de weerslag in het culturele leven daarvan in de steden. Wel wordt een venster besteed aan volkscultuur, maar ik keek er wel een beetje van op toen ik las dat daar ook de heksenvervolgingen bij hoorden. Die horen mijns inziens toch meer bij de kerk thuis.
En dan de illustraties… Ik heb elders al geschreven dat ik die in de methodes en andere geschiedenisboeken nogal voorspelbaar vind. Je ziet ook steeds dezelfde. Met name de schoolplaten van Isings zijn zeer populair en hier vind je dan ook bijna alle middeleeuwse die hij heeft gemaakt (7) weer terug. Maar ook oudere, veel dubieuzere historieprenten komen in het boek voor. De schrijver probeerde dat in zijn inleiding ook te verantwoorden, maar ik heb daar problemen mee. Juist die prenten geven geen goed beeld van de tijd. Ze zijn zo goed als allemaal achterhaald en dan behoren die van Isings nog tot de besten. Je krijgt er dus geen goed beeld over de middeleeuwen van. Dat vind ik jammer want er zijn genoeg goede platen uit middeleeuwse bronnen te vinden. Het ziet er naar uit de de beeldredactie zich er niet al te veel moeite voor heeft getroost. Alleen vijftiende-eeuwse miniaturen en schilderijen (die overigens dikwijls oudere gebeurtenissen portretteren) zijn ruim vertegenwoordigd: 101 stuks. Uit de veertiende eeuw komen er 19, waarvan een groot deel uit het Manesse handschrift van ca 1305-1322 afkomstig is, uit de dertiende en twaalfde eeuw elk één, uit de elfde niks en dan een achttal uit de achtste tot en met de tiende eeuw. Uit de vijfde tot en met de zevende eeuw is er ook niks. Ik vind dat mager. Natuurlijk wordt dat wel wat gecompenseerd door afgebeelde voorwerpen uit de betreffende tijd, maar 38 is ook niet echt veel, als je het spreidt over die 10 eeuwen. Er zijn ook nog 23 foto’s van historische gebouwen en een re-enactment (waar ikzelf nog als monnik op de rug te zien ben: uiterst rechts, p. 59),

11 kaarten (mooi en fris vormgegeven) en mijn persoonlijke favorieten: de 11 reconstructies. Met name die van historische landschappen vanuit de lucht door Ulco Glimmerveen vind ik zeer geslaagd. Uit eigen ervaring weet ik echter dat er veel meer te vinden is over die perioden die in dit boek zo spaarzaam van tijdeigen materiaal zijn voorzien. Dit is voor mij weer de zoveelste gemiste kans.
Ben ik dan ontevreden over Nederland in de middeleeuwen? Geenszins. Ik vind het een mooi, behoorlijk compleet en goed geschreven boek, waar de al wat ingevoerde leek veel van zijn gading in kan vinden. Een volstrekte leek zal echter niet altijd begrijpen wat Kuipers bedoelt en dat is misschien jammer, maar een bezoekje via Google aan Wikipedia kan daar antwoorden voor leveren. De vraag is alleen: gaat men dat doen? En, nog belangrijker, wie gaat dit lezen? Historici, en met name mediëvisten, weten dit allemaal al en ze kennen de plaatjes van haver tot gort. Is het boek dan bedoeld voor onderwijzers en leraren die hun stof willen uitdiepen? Die kennen en/of bezitten waarschijnlijk de boeken van Speet al. Bovendien: hebben ze wel de tijd om deze kennisverbreding toe te passen? Gaan leerlingen dit boek dan kopen of voor Sinterklaas krijgen? Ik betwijfel het. Daarvoor is het te veel: meer van hetzelfde, dat ze al uit de lesboeken kennen. Ik denk niet dat ze dertig euro gaan uitgeven aan wat extra lesstof. Behalve misschien die enkeling die later historicus wil worden (zijn die er nog?). Dus wat is dan het publiek? De grijze golf; mijn leeftijdsgenoten die van hun pensioen genieten en de historische musea bevolken? Ik weet dat de meesten kapitaalkrachtig zijn (hoewel…) maar als je het alleen van die groep moet hebben… Of misschien is het voor die spaarders die ook de andere canons al hebben en zo weer wat completer worden. Ook geen grote groep, lijkt me. Kortom: ik hoop voor de uitgever en de schrijvers dat het goed verkoopt, maar ik heb er een beetje een hard hoofd in. Over een jaar zullen we weten of ik hier te somber over was.
Jan Kuipers, mmv Goffe Jensma en Oebele de Vries,
Nederland in de middeleeuwen. De canon van ons middeleeuws verleden (Zutphen 2011)